O Verbo

O VERBO

Depois de cada verbo encontra a primeira pessoa do presente, seguida pela primeira pessoa do imperfeito e do perfeito. Expressões muito usadas estão por baixo de cada verbo em itálico.

A presente, imperfeito, perfeito
zich aankleden vestir-se ik kleed mij aan, ik kleedde mij aan, ik heb mij aangekleed
iemand aankleden vestir alguém
aankomen chegar ik kom aan, ik kwam aan, ik ben aangekomen
aankomen in chegar a
aantrekken vestir ik trek aan, ik trok aan, ik heb aangetrokken
iets aantrekken vestir algo
schoenen aantrekken calçar-se
afgeven entregar ik geef af, ik gaf af, ik heb afgegeven
antwoorden responder ik antwoord, ik antwoordde, ik heb geantwoord
B presente, imperfeito, perfeito
bedanken agradecer ik bedank, ik bedankte, ik heb bedankt
iemand bedanken voor agradecer a alguém por
bedoelen querer dizer ik bedoel, ik bedoelde, ik heb bedoeld
beginnen começar ik begin, ik begon, ik ben begonnen
beginnen met iets começar algo
begrijpen compreender ik begrijp, ik begreep, ik heb begrepen
beloven prometer ik beloof, ik beloofde, ik heb beloofd
besluiten concluir ik besluit, ik besloot, ik heb besloten
bestaan existir ik besta, ik bestond, ik heb bestaan
bestellen encomendar ik bestel, ik bestelde, ik heb besteld
betalen pagar ik betaal, ik betaalde, ik heb betaald
betekenen significar het betekent, het betekende, het heeft betekend
bezoeken visitar ik bezoek, ik bezocht, ik heb bezocht
binnenkomen entrar (edifício) ik kom binnen, ik kwam binnen, ik ben binnengekomen
blijken parecer het blijkt, het bleek, het is gebleken
blijven permanecer ik blijf, ik bleef, ik ben gebleven
bouwen construir ik bouw, ik bouwde, ik heb gebouwd
breken quebrar ik breek, ik brak, ik heb gebroken
brengen trazer ik breng, ik bracht, ik heb gebracht
buigen inclinar ik buig, ik boog, ik heb gebogen
D presente, imperfeito, perfeito
danken agradecer ik dank, ik dankte, ik heb gedankt
dansen dançar ik dans, ik danste, ik heb gedanst
denken pensar ik denk, ik dacht, ik heb gedacht
denken aan pensar em
doen fazer ik doe, ik deed, ik heb gedaan
de afwas doen lavar a loiça
iemand pijn doen magoar alguém
het doet pijn dói
aan sport doen praticar desporto
iemand een plezier doen fazer um favor a alguém
boodschappen doen fazer compras
draaien virar ik draai, ik draaide, ik heb gedraaid
dragen carregar, usar (roupa), trazer (roupa posta) ik draag, ik droeg, ik heb gedragen
drinken beber ik drink, ik dronk, ik heb gedronken
duren demorar het duurt, het duurde, het heeft geduurd
durven atrever-se a ik durf, ik durfde, ik heb gedurfd
duwen empurrar ik duw, ik duwde, ik heb geduwd
E
eten comer ik eet, ik at, ik heb gegeten
F
G presente, imperfeito, perfeito
gaan ir ik ga, ik ging, ik ben gegaan
met de trein, bus, fiets gaan ir de comboio, autocarro, bicicleta
op vakantie gaan ir de férias
naar school gaan frequentar a escola
gebeuren acontecer het gebeurt, het gebeurde, het is gebeurd
geboren worden/zijn nascer ik ben geboren
gebruiken utilizar ik gebruik, ik gebruikte, ik heb gebruikt
geloven acreditar ik geloof, ik geloofde, ik heb geloofd
geven dar ik geef, ik gaf, ik heb gegeven
het geeft niets não faz mal
iets geven aan iemand dar algo a alguém
iemand een hand geven dar a mão a alguém
gooien lançar, atirar ik gooi, ik gooide, ik heb gegooid
groeien crescer ik groei, ik groeide, ik ben gegroeid
groeten cumprimentar ik groet, ik groette, ik heb gegroet
H presente, imperfeito, perfeito
halen ir buscar ik haal, ik haalde, ik heb gehaald
hangen pendurar ik hang, ik hing, ik heb gehangen
hebben ter ik heb, ik had, ik heb gehad
het koud, warm hebben estar com frio, calor
iets nodig hebben precisar de algo
gelijk hebben ter razão
helpen ajudar ik help, ik hielp, ik heb geholpen
help! socorro!
zich herinneren lembrar-se ik herinner me, ik herinnerde me, ik heb me herinnerd
zich (aan) iemand herinneren lembrar-se de alguém
heten chamar-se ik heet, ik heette, ik heb geheten
hoeven ser necessário het hoeft, het hoefde, het heeft gehoefd
Hoeft dat nou? Tem que ser?
hopen esperar (ter esperança) ik hoop, ik hoopte, ik heb gehoopt
horen ouvir ik hoor, ik hoorde, ik heb gehoord
houden guardar ik hou(d), ik hield, ik heb gehouden
houden van iemand, iets gostar de alguém, algo
huren alugar (de alguém) ik huur, ik huurde, ik heb gehuurd
I presente, imperfeito, perfeito
instappen entrar (num meio de transporte) ik stap in, ik stapte in, ik ben ingestapt
J
K presente, imperfeito, perfeito
kennen conhecer ik ken, ik kende, ik heb gekend
kijken olhar ik kijk, ik keek, ik heb gekeken
televisie kijken ver televisão
Kijk! olha!
Kijk uit! cuidado!
kloppen bater ik klop, ik klopte, ik heb geklopt
op de deur kloppen bater à porta
het klopt (niet) (não) bate certo
koken cozinhar, cozer ik kook, ik kookte, ik heb gekookt
komen vir ik kom, ik kwam, ik ben gekomen
kom nou!? estás a brincar?
op bezoek komen visitar
kopen comprar ik koop, ik kocht, ik heb gekocht
kosten custar het kost, het kostte, het heeft gekost
krijgen receber ik krijg, ik kreeg, ik heb gekregen
een bekeuring krijgen ser multado
een ziekte krijgen apanhar uma doença
kunnen 'poder (ter capacidade de)''' ik kan, ik kon, ik heb gekund
tegen de warmte, kou kunnen aguentar o calor, o frio
kussen beijar ik kus, ik kuste, ik heb gekust
L presente, imperfeito, perfeito
lachen rir ik lach, ik lachte, ik heb gelachen
laten deixar ik laat, ik liet, ik heb gelaten
Laat eens zien. deixa ver.
leggen colocar ik leg, ik legde, ik heb gelegd
lenen emprestar, pedir emprestado ik leen, ik leende, ik heb geleend
leren aprender ik leer, ik leerde, ik heb geleerd
leven viver ik leef, ik leefde, ik heb geleefd
lezen ler ik lees, ik leesde, ik heb gelezen
liggen estar deitado ik lig, ik lag, ik heb gelegen
lijken parecer ik lijk, ik leek, ik heb geleken
lijken op iemand ser parecido com alguém
lopen andar a pé, correr ik loop, ik liep, ik heb gelopen
luisteren escutar ik luister, ik luisterde, ik heb geluisterd
M presente, imperfeito, perfeito
maken fazer ik maak, ik maakte, ik heb gemaakt
iemand bang maken meter medo a alguém
iemand kwaad maken fazer com que alguém se zangue
iemand wakker maken acordar alguém
lawaai maken fazer barulho
meenemen levar, trazer (consigo) ik neem mee, ik nam mee, ik heb meegenomen
moeten ter de, ter que, dever ik moet, ik moest, ik heb gemoeten
mogen poder (ter licença para) ik mag, ik mocht, ik heb gemogen
N presente, imperfeito, perfeito
naaien coser ik naai, ik naaide, ik heb genaaid
nemen pegar em, apanhar, tomar ik neem, ik nam, ik heb genomen
de trein nemen apanhar o comboio
koffie nemen tomar café
een bad, duche nemen tomar um banho, um duche
noemen dar um nome a alguém ik noem, ik noemde, ik heb genoemd
O presente, imperfeito, perfeito
oefenen praticar ik oefen, ik oefende, ik heb geoefend
onthouden lembrar-se ik onthoud, ik onthield, ik heb onthouden
opstaan levantar-se ik sta op, ik stond op , ik ben opgestaan
oversteken atravessar ik steek over, ik stak over, ik ben overgestoken
P presente, imperfeito, perfeito
pakken pegar em ik pak, ik pakte, ik heb gepakt
parkeren estacionar ik parkeer, ik parkeerde, ik heb geparkeerd
praten falar ik praat, ik praatte, ik heb gepraat
praten over iets, iemand falar sobre algo, alguém
proberen tentar, experimentar ik probeer, ik probeerde, ik heb geprobeerd
proeven provar ik proef, ik proefde, ik heb geproefd
Q presente, imperfeito, perfeito
R presente, imperfeito, perfeito
regenen chover het regent, het regende, het heeft geregend
rekenen calcular ik reken, ik rekende, ik heb gerekend
rekenen op iemand contar com alguém
reserveren reservar ik reserveer, ik reserveerde, ik heb gereserveerd
rijden andar (de) ik rij(d), ik reed, ik heb gereden
rijden met de fiets, met de auto andar de bicicleta, carro
roepen chamar ik roep, ik riep, ik heb geroepen
roken fumar ik rook, ik rookte, ik heb geroken
S presente, imperfeito, perfeito
scheuren rasgar ik scheur, ik scheurde, ik heb gescheurd
schieten atirar ik schiet, ik schoot, ik heb geschoten
schijnen parecer, brilhar het schijnt, het scheen, het heeft geschenen
de zon schijnt o sol brilha
schrijven escrever ik schrijf, ik schreef, ik heb geschreven
schrikken assustar-se ik schrik, ik schrok, ik ben geschrokken
slaan bater ik sla, ik sloeg, ik heb geslagen
slapen dormir ik slaap, ik sliep, ik heb geslapen
sluiten fechar ik sluit, ik sloot, ik heb gesloten
snijden cortar ik snijd, ik sneed, ik heb gesneden
spelen brincar, tocar (um instrumento) ik speel, ik speelde, ik heb gespeeld
spreken falar ik spreek, ik sprak, ik heb gesproken
spreken over iemand, iets falar sobre alguem, algo
springen saltar ik spring, ik sprong, ik ben gesprongen
staan estar (de pé) ik sta, ik stond, ik heb gestaan
een vraag stellen fazer uma pergunta
stelen roubar ik steel, ik stal, ik heb gestolen
stoppen parar ik stop, ik stopte, ik heb gestopt
studeren estudar ik studeer, ik studeerde, ik heb gestudeerd
voor ingenieur, dokter, apotheker, tolk studeren estudar engenharia, medicina, farmácia, interpretação
T presente, imperfeito, perfeito
tekenen desenhar ik teken, ik tekende, ik heb getekend
telefoneren telefonar ik telefoneer, ik telefoneerde, ik heb getelefoneerd
tellen contar ik tel, ik telde, ik heb geteld
trekken puxar ik trek, ik trok, ik heb getrokken
trouwen casar ik trouw, ik trouwde, ik ben getrouwd
U presente, imperfeito, perfeito
uitdelen distribuir ik deel uit, ik deelde uit, ik heb uitgedeeld
uitdoen apagar ik doe uit, ik deed uit, ik heb uitgedaan
uitgaan sair (com amigos) ik ga uit, ik ging uit, ik ben uitgegaan
uitnodigen convidar ik nodig uit, ik nodigde uit, ik heb uitgenodigd
uitstappen sair (de um meio de transporte) ik stap uit, ik stapte uit, ik ben uitgestapt
V presente, imperfeito, perfeito
vallen cair ik val, ik viel, ik ben gevallen
op de grond vallen cair no chão
in het water vallen cair na água, ir-se por água abaixo
veranderen mudar ik verander, ik veranderde, ik ben veranderd
verdienen ganhar (dinheiro) ik verdien, ik verdiende, ik heb verdiend
vergeten esquecer-se ik vergeet, ik vergat, ik ben vergeten
verhuizen mudar de casa ik verhuis, ik verhuisde, ik ben verhuisd
verhuren alugar (a alguém) ik verhuur, ik verhuurde, ik heb verhuurd
verkopen vender ik verkoop, ik verkocht, ik heb verkocht
verliezen perder ik verlies, ik verloor, ik heb verloren
verloren zijn estar perdido
zich verontschuldigen desculpar-se ik verontschuldig me, ik verontschuldigde me, ik heb me verontschuldigd
verstaan entender ik versta, ik verstond, ik heb verstaan
vertalen traduzir ik vertaal, ik vertaalde, ik heb vertaald
iets vertalen uit traduzir algo de
iets vertalen in traduzir algo para
vertellen contar (história) ik vertel, ik vertelde, ik heb verteld
vertrekken partir ik vertrek, ik vertrok, ik ben vertrokken
vinden encontrar, achar ik vind, ik vond, ik heb gevonden
voelen sentir ik voel, ik voelde, ik heb gevoeld
zich voelen sentir-se
volgen seguir ik volg, ik volgde, ik ben gevolgd
voorstellen propor, apresentar ik stel voor, ik stelde voor, ik heb voorgesteld
iemand aan iemand voorstellen apresentar alguém a alguém
zich voorstellen apresentar-se
vragen perguntar, pedir ik vraag, ik vroeg, ik heb gevraagd
vullen encher ik vul, ik vulde, ik heb gevuld
W presente, imperfeito, perfeito
waaien haver vento het waait, het waaide, het heeft gewaaid
wachten esperar (tempo) ik wacht, ik wachtte, ik heb gewacht
wachten op iets, iemand esperar por algo, alguém
wandelen passear ik wandel, ik wandelde, ik heb gewandeld
wassen lavar ik was, ik waste, ik heb gewassen
werken trabalhar ik werk, ik werkte, ik heb gewerkt
weten saber ik weet, ik wist, ik heb geweten
willen querer ik wil, ik wilde/ik wou, ik heb gewild
winkelen fazer compras ik winkel, ik winkelde, ik heb gewinkeld
winnen ganhar (competição) ik win, ik won, ik ben gewonnen
wonen morar ik woon, ik woonde, ik heb gewoond
worden tornar-se ik word, ik werd, ik ben geworden
X
Y
Z presente, imperfeito, perfeito
zeggen dizer ik zeg, ik zei, ik heb gezegd
zetten pôr ik zet, ik zette, ik heb gezet
koffie, thee zetten fazer café, chá
zijn ser, estar ik ben, ik was, ik ben geweest
jarig zijn fazer anos
zeker zijn ter a certeza
op reis zijn estar em viagem
op vakantie zijn estar de férias
van plan zijn om te tencionar
kwijt zijn ter perdido
zingen cantar ik zing, ik zong, ik heb gezongen
zitten estar (sentado) ik zit, ik zat, ik heb gezeten
aan tafel zitten estar à mesa
zoeken procurar ik zoek, ik zocht, ik heb gezocht
zoeken naar iets, iemand procurar algo, alguém
zorgen voor iemand, iets tomar conta de alguém, algo
zwemmen nadar ik zwem, ik zwom, ik heb gezwommen
zwijgen calar-se ik zwijg, ik zweeg, ik heb gezwegen

© Jeroen Dewulf